In de lagere school leren de kinderen de bewegingsdriehoek te vertalen naar herkenbare activiteiten.

Aan de hand van een beweegdagboek noteerden de kinderen de verschillende momenten van de dag in de juiste zones. Ze stonden stil bij welke momenten ze zitten en welke momenten ze laag, gematigd of hoog intensief bewegen.

Aan de hand van een (mechanische) stappenteller meten ze ook hoeveel stappen ze per schooldag zetten. Op het einde van de week bekijken ze hun resultaten en denken ze na welke acties ze kunnen ondernemen om het lange stilzitten te doorbreken en meer te bewegen doorheen de schooldag.

De tweede week is er een stappenteller-competitie waarbij twee heterogene teams het tegen elkaar opnemen om samen zoveel mogelijk stappen te zetten. Nadien bekijken we welke acties we kunnen behouden. Het resultaat is dat jonge kinderen goed kunnen benoemen welke dagelijkse activiteiten in welke zone horen en weten ze wat ze hier aan kunnen doen. De bewegingsdriehoek is echt doorleefd.